Werkelijk, hoe zielig is een man wiens gewoontes en begeertes hem tot hun slaaf maken en hij gaat met hen mee zover als het kan. De zonde maakte Moh'ammed tot zijn slaaf en hij stond de zonde toe om hem te besturen. Hij had zichzelf niet meer onder controle en hij kon zich er niet van bevrijden. Dit leidde hem naar de vernietiging. Hij beging vele zonden en hij deed ze snel. Hij bereikte op een gegeven moment het toppunt van paniek en bezorgdheid. En dat was duidelijk te zien aan zijn gezicht.

Hij verrichtte lange tijd niet één Rak'ah voor Allah en hij kon de weg naar de moskee niet vinden. Hoeveel jaren gingen voorbij waarin hij niet bad? Telkens als hij Moskee Ansaar (de moskee in zijn buurt) passeerde, voelde hij zich beschaamd, alsof de minaret hem verweet en zei: "Wanneer kom je ons bezoeken? Wanneer ga je berouw tonen?" Maar Moh'ammed kon niets anders doen dan zijn hoofd buigen uit verlegenheid.

In de maand Ramadhaan, wanneer de duivels vastgeketend zijn en het geluid van de Waarheid oneindig te horen is, en het universum gevuld is met vrees en nederigheid, kwam er een geluid van de minaret van Moskee Ansaar, een emotioneel geluid wat de ayaat van de Qor-aan reciteerde. Het was het gevoel van comfort, het was het gebed, het was Salaat at-Taraawieh'.

En zoals gewoonlijk passeerde Moh'ammed de moskee met de intentie om niet naar binnen te gaan. Een vriendelijke jongeman sprak hem echter aan en vroeg hem hoe hij erover dacht om deel te nemen aan het gebed in de moskee: "Kom, kom, laten we gaan."

Moh'ammed wilde zich verontschuldigen, maar de vriendelijke jongeman hield vol en overtuigde hem om mee te gaan. De ziel van Moh'ammed ging als een klein vogeltje in de ochtend, zeer onschuldig, en wilde zich een weg banen richting het licht nadat het moe was geworden van het vliegen in het donker.

Moh'ammed zei: "Ik ken de doe'aa-e van de openingssmeekbede niet en ook de Tah'iyyat (Tashah'oed) niet. Gedurende een lange periode heb ik niet gebeden, ik ben het vergeten." "Nee Moh'ammed," zei de vriendelijke jongeman, "Jij bent het niet vergeten, maar dat is het werk van Shaytaan en zijn groep, de verliezers. Zij hebben het jou laten vergeten." Door het volhouden van die ene vriendelijke jongeman, ging Moh'ammed na een lang vaarwel eindelijk weer eens de moskee binnen.

En wat vond Moh'ammed: ogen gewassen door tranen, verwelkt door de 'Ibaadah (aanbidding), gezichten verlicht door Taqwah (godsvrees), aanbidders die leken op fladderende vogels in de sfeer van imaan (geloof), en de recitatie van de imaam was heel emotioneel, in zijn stem was een trilling die het hart raakte. En voor de eerste keer na zijn afscheid van zeven jaar, fladderde Moh'ammed ook zozeer in deze sfeer, dat hij zijn gebed niet afmaakte. Zijn hart was vol ontzag, hij trok zich terug naar achter in de moskee en leunde tegen een muur, hij zuchtte jammerlijk en zei tegen zichzelf: "Bij Allah, hoe kon ik deze grote beloning missen?! Wat heeft mij hier vandaan geleid?" Vervolgens begon hij aan een langdurige huilbui. Hier is hij, huilend. Hij huilde met heel zijn hart. Hij huilde over zijn verloren zelf. Hij huilde over zijn dagen in het verleden. Hij huilde over zijn strijd tegen Allah met zijn zonden!

Zijn hart brandde alsof er een stukje gloeiend houtskool rustte tussen zijn ribben. Telkens als het afkoelde begon het weer opnieuw, totdat het vlam vatte en het hem brandde. Het is het brandende gevoel van de zonden.

Moge Allah met jou zijn, jij terugkerende zondaar. Hoe vaak ben jij omgedraaid in het vuur van de zonden, terwijl jouw ziel verlangde naar de weg van geloof!

Hij huilde - volgens de imaam - zoals het gehuil van een dronkaard. Een golf van pijn en spijt sleurde hem mee en schudde zijn gedachten en liet hem denken dat Allah hem nooit zou vergeven.

De mensen kwamen en gingen om hem heen staan. Zij vroegen wat er mis was met hem. Hij wilde hen niet beantwoorden. Hij leefde slechts enkele momenten met zijn verdrietige en vermoeide zelf, dat moe werd door het botsen in de donkere tunnel van vernietiging.

In hem was een vulkaan van spijt en pijn, die niemand van de aanwezigen kon doven. Aldus gingen zij weer terug naar hun plaats van gebed. Op dat moment kwam 'Abdoellah. Nadat hij probeerde om Moh'ammed te kalmeren, zei Moh'ammed stotterend: "Allah zal me niet vergeven, Allah zal me niet vergeven," en hij begon weer te huilen.

'Abdoellah bleef hem troosten en zei tegen hem: "Broeder, Allah is Barmhartig, Genadevol. Allah strekt Zijn Hand uit in de nacht zodat de zondaar die zonden heeft begaan overdag, berouw kan tonen, en Hij strekt Zijn Hand uit overdag, zodat de persoon die 's nachts zonden heeft begaan, berouw kan tonen."

Moh'ammed hief zijn hoofd op, met ogen vol tranen, en hij zei met een wanhopige stem: "Nee, Allah gaat mij niet vergeven, Allah gaat mij niet vergeven."

Vervolgens was hij even stil om op adem te komen, hij dacht aan de vele zonden die hij begaan had en stelde enkele vragen hoe hij uit deze situatie kon ontsnappen. Hij zei: "Je weet niet hoe groot mijn zonden zijn. Allah zal mij niet vergeven. Ik heb gedurende 7 jaar niet gebeden."

'Abdoellah hield vol en bleef hem overtuigen dat de Barmhartigheid van Allah zeer groot is en zei tegen hem: "Broeder, dank Allah dat je niet gestorven bent in deze toestand. Broeder, Allah zegt: 'O zoon van Aadam, als je tot Mij komt met zo veel zonden als de aarde, en je ontmoet Mij zonder deelgenoten aan Mij toe te kennen, dan kom Ik naar jou toe met Vergeving zo omvangrijk als de aarde.'

En wanhoop aan de Barmhartigheid van Allah is nog erger dan jouw ongehoorzaamheid tegenover Hem." Vervolgens bleef hij de ayaat betreffende de Barmhartigheid en hoop reciteren en de ah'adieth over berouw en de gulheid van Allah betreft het accepteren van de berouwvolle. Op deze manier ontwaakte hij in Moh'ammed een vonk van hoop en Moh'ammed voelde dat de deur van het berouw op een kier stond en dat hij door deze kleine opening kon gaan.

En hier braken Moh'ammed's sterke golven van wanhoop op de stranden van de waardevolle adviezen van 'Abdoellah. Vervolgens voelde hij de zware last die op zijn schouders rustte, van zich afvallen. Zijn vleugels waren nu licht en zijn ziel kon fladderen. Het wilde fladderen in de nieuwe wereld van berouw!

En hier is zijn borst nu, als een jong land dat de eerste beplanting van vruchten voortbrengende adviezen ontving, de adviezen die veiligheid, comfort en hoop brachten voor de ziel van Moh'ammed, zoals de regen met de wil van Allah groen op het gezicht van de dode aarde brengt!

'Abdoellah stelde vervolgens voor: "Wat denk jij mijn dierbare broeder, om Ghoesl te gaan verrichten zodat je rust in jezelf krijgt en aan een nieuw leven begint?"

Moh'ammed ging akkoord en ging Ghoesl verrichten met als doel om rust te verkrijgen. Hij waste zichzelf en verwijderde alle viezigheid van de zonden die aan hem kleefden. Vervolgens waste hij
zijn hart en vulde het met licht.

Moh'ammed ging (samen met 'Abdoellaah) weer richting de moskee waar de imaam nog steeds de ayaat van Allah aan het reciteren was. Zijn lippen bewogen met deze ayaat en de harten van de aanwezigen neigden naar de ayaat.

En zij bleven met elkaar praten. en de wijze woorden kwamen van de lippen van 'Abdoellah met de geur van oprechtheid, waarheid en hoop, vrij van enige valsheid.

Het gesprek met 'Abdoellah beroerde hem, alsof hij een schat vond waar hij al lang naar op zoek was. Hij bleef tegen zichzelf zeggen: "Hoe kon ik van deze weg afdwalen?" Zijn keel raakte gevuld met El-h'amdoelillah, vanwege al deze tranen die uit zijn ogen rolden. Hij liep en de tranen rolden nog steeds van zijn wangen. Hij probeerde een glimlach op zijn mond te krijgen, wat hem niet lukte. Toen zei hij: "Moge Allah mij vergeven, Inshaa-e Allah." 'Abdoellah reageerde snel: "Zeg juist 'moge Allah mij vergeven,' zeg het met zekerheid."

En zij gingen richting moskee en de ziel van Moh'ammed verlangde meer naar de vergeving van Allah en Zijn tevredenheid. Hij ging de moskee binnen en zijn toestand sprak boekdelen, alsof hij zei: "O Allah, vergeef mij, O Allah wees barmhartig voor mij. Mijn Rabb, ik bracht mijn leven door in een diep dal en hier ben ik dan, trachtend om eruit te klimmen, neem mijn hand O Heer van de werelden. O meest Barmhartige, mijn zonden zijn talrijk, maar Uw Barmhartigheid is groter."

Hij sloot zich aan bij het gebed en hij huilde nog steeds, de oude zonden stortten in en uit het puin en de stofwolk kwam een helder hart tevoorschijn, verlicht met geloof!

Hij begon weer met huilen en zijn tranen namen toe met als gevolg dat de aanwezigen ook begonnen te huilen. De imaam stopte met reciteren, maar Moh'ammed stopte niet met huilen. De imaam zei: "Allahoe Akbar," en hij verrichte de roekoe' en de aanwezigen deden ook roekoe' en Moh'ammed ook. Zij stonden allemaal op nadat zij de imaam hoorden zeggen "Sami'a llaahoe liemen h'amiedah (Allah antwoordt degene die Hem looft)." Maar Allah wilde niet dat Moh'ammed opstond, maar zijn ziel steeg op naar zijn Schepper. Moh'ammed viel levenloos op de grond.

Na het gebed schudden zij hem, draaiden zij hem om en probeerden zij hem te helpen, misschien konden zij hem redden, "maar Allah geeft geen ziel ooit uitstel als haar tijd is gekomen."

Moge Allah hem genadig zijn en hem het Paradijs laten bewonen en hem en ons vergeven, Ameen.