Umm Ar-Rubayyi' bin Khutaim was erg bezorgd om haar zoon. Ze zag hem nauwelijks slapen, na het zwoegen van de dag, zou hij de nachten doorbrengen Allah aanbiddend. "Mijn zoon, ga je niet slapen?" Pleitte Umm Ar-Rubayyi' een dag bij hem.

"Mijn moeder, wanneer het nacht is, en je vreest dat de dood je plotseling nemen zal (en dit is het geval voor elke mens), dan is het passend voor hem om niet te slapen."

Umm Ar-Rubayyi' werd al snel bang toen ze opmerkte dat haar zoon veel huilde gedurende de nacht; ze was bang dat zijn tranen het gevolg waren van een gevoel van schuld, voor een kwaadaardige misdaad die hij heeft begaan. "O mijn zoon," zei ze, "Wellicht dat je iemand hebt gedood?"

"Ja" antwoorde hij.

"Wie is het?" vroeg ze. "We gaan naar zijn familie, en (hopelijk) zullen ze je vergeven; ze zullen zeker medelijden met je hebben als ze weten hoeveel je huilt elke nacht."

"Mijn moeder, het is mijn eigen ik (die ik heb gedood door het constante zondigen)."

[Sifatus-Safwah 3/39-40 en Hilayatul-Awliya' 2/114]